'DE BLOEIENDE AMANDEL'

1.
Ooit hebben ze op het stadhuis besloten
de oude polder maar tot aan de dijk
met flats en rijtjeshuizen vol te poten.
En zo ontstond ook hier een nieuwbouwwijk.

Op doordeweekse ochtenden rond achten
en ‘s avonds, als men weerkeert van het werk,
staan auto’s voor de stoplichten te wachten.
Er is geen school, geen winkel en geen kerk.

Geen kinderen die zich op straat begeven,
geen huisvrouwen die boodschappen gaan doen.
Het enige bewijs van hoger leven
vertoont zich af en toe in het plantsoen:

daar zie je de bewoners aan de wandel
uit serviceflat ‘De bloeiende amandel’.

---

2.
De vrouw van nummer 12 is overleden -
ze leek te liggen slapen op de bank.
Bij niemand was er twijfel aan de reden:
het mensje was al jaren aan de drank.

Haar man, die plotseling haar liet verrekken
voor een of ander jong stuk minnares,
was onderwerp van bittere gesprekken
die zij vaak had met de jeneverfles.

Ooit heeft ze zich bijeen weten te rapen
en heeft ze bij haar buurman aangebeld.
Na uren praten bleef ze bij hem slapen,
toen hij haar eenmaal had gerust gesteld.

Hij vond haar weliswaar niet echt een spetter.
Maar ja, ze zoop dan ook gelijk een ketter.

---