RIJKSMUSEUM VAN OUDHEDEN

I.

Ik ging naar Nineve, die grote stad.
Reliëfs en rolzegels brachten een zeven-
entwintig eeuwen oud bestaan tot leven:
hoe bij paleis, tuin, stadsmuur, ziggoerat
oorlog en slavenarbeid werd bedreven.
En ergens liet ons een kalkstenen blad
drie mannen zien: gezamenlijk op pad,
aan alle kanten door hoog riet omgeven.

De voorste waarschuwt, een hand ver omhoog:
hij lijkt buiten het beeldvlak iets te horen.
De laatste houdt een stok vast (nee: een boog)
en strekt, omkijkend, een arm uit naar voren.
Die tussen hen is door een pijl geraakt.
(Beschadiging heeft zijn gezicht mismaakt.)

---

II.

Het duizelt mij ineens, ik voel me raar:
die massa’s die door het museum zwermen;
bewegend beeld op muren en op schermen.
Ontegenzeggelijk is alles waar
op bordjes met toepasselijke termen,
maar hoe informatief ook bij elkaar:
hier is een man gewond, misschien wel zwaar.
Hij houdt zich ferm; ik hoor hem zachtjes kermen.

Daarbij biedt ons de actualiteit
een misschien nog verwarrender dimensie.
Toch kan van een bepaalde plaats of tijd
niet langer sprake wezen als ik hen zie:
drie mannen, slechts op lijfsbehoud gericht,
die zich onttrekken willen aan het zicht.