Miguel de Unamuno, LA ORACIÓN DEL ATEO

Oye mi ruego Tú, Dios que no existes,
y en tu nada recoge estas mis quejas,
Tú que a los pobres hombres nunca dejas
sin consuelo de engaño. No resistes

a nuestro ruego y nuestro anhelo vistes.
Cuando Tú de mi mente más te alejas,
más recuerdo las plácidas consejas
con que mi ama endulzóme noches tristes.

Qué grande eres, mi Dios! Eres tan grande
que no eres sino Idea; es muy angosta
la realidad por mucho que se expande

para abarcarte . Sufro yo a tu costa,
Dios no existente, pues si Tú existieras
existiría yo también de veras.

---

HET GEBED VAN DE GODDELOZE

Hoor mijn verzoek, o God die niet bestaat,
ontvang daar in dat niets van u mijn klachten,
U die de arme mensen nooit laat wachten
op valse hoop. Geen onzer wensen gaat

teloor bij U die ons steeds gadeslaat.
Nu U steeds meer verdwijnt uit mijn gedachten
zie ik hoe mij mijn lief in droeve nachten
zoet wilde houden met haar brave raad.

Wat bent U groot, mijn God! U bent zo groot
als slechts Ideeën zijn; de werkelijkheid
is zo beperkt dat zij ternauwernood

U kan bevatten. U maakt dat ik lijd,
want, niet-bestaande God, mocht U bestaan
dan toont dat waarlijk mijn bestaan ook aan.

---