ABRAHAM VAN DER HORN
(21 oktober 1782 – 25 april 1867; “pennekonstenaar”, geboren op korenmolen De Stier, Leiden, nabij de Herenpoort)

Ik was ooit op de molen, toen ik zag
hoe mannen spaden in de stadswal staken.
Ons oude uitzicht zou op goede dag
plaats voor een heel bijzonder buurtje maken:

het armenkerkhof op het bolwerk daar,
waar je begraven wordt voor een paar stuivers.
De eerste was een joch van dertien jaar.
Ik weet nog hoe hij heette: Jantje Kluijvers.

Mijn levenspad voerde mij ervandaan.
Ik leerde tekenen, ging portretteren,
voor andermans en eigen nabestaan.
Zal men het in de toekomst ook waarderen?

Het leven, weet ik als molenaarskind,
is ijdelheid en najagen van wind.

LEIDEN, 11 NOVEMBER 1616: DE JONGEN REMBRANDT

(ter gelegenheid van de kranslegging voor Rembrandts verjaardag, 14 juli 2018)

Jacob van Swanenburg is weer in Leiden.
Men kan hem, na veel jaren buitenland,
vaak trots door zijn geboortestad zien schrijden.
Nu haast hij zich – er is iets aan de hand.

Het Rapenburg weergalmt van volkse klanken.
De Academie brandt, al ruim een uur.
Van ‘Balcken, Stoelen ende Onderbancken’
slaat door het dak een zee van rook en vuur.

Zijn schildersfantasie maakt wilde sprongen:
wat er niet in die vlammen valt te zien!
Dan treft naast hem zijn blik een stille jongen,
Een krullebol van zeg een jaar of tien.

Die staat en staart, alsof het daar voor hem brandt.
Ergens vandaan wordt hij geroepen: ‘Rembrandt!’

---