JUDAS ISKARIOTH,
die een der twaalven was

I.
De zon goot op Jeruzalem haar gouden stralen,
namiddagstilte lag op Davids trotse stad
toen Jezus met Zijn jongeren aan tafel zat
bij bekers rode wijn en brood op zilveren schalen.
Het was nu ruim drie jaar dat Hij gepredikt had,
bedacht Hij, en Hij zag het daglicht langzaam dalen:
wonden geheeld en onderwezen met verhalen.
Glimlachend sloot Hij de ogen, zweeg alsof Hij bad.

Hij hield van deze twaalf, die nu zo vrolijk praatten.
Zij hadden evenzeer Hem als Hij hen bemind.
Helaas! Hij was verplicht zijn liefsten te verlaten.
Een moest hem overleveren aan het Sanhedrin:
een - Judas - hem verkopen zonder hem te haten.
Waarom juist hij? Waarom...? Maar vragen had geen zin.

II.
Een van u zal vandaag verraad jegens mij plegen.
Mijn tijd is daar, mijn taak eist nu van mij de dood.
sprak Hij, terwijl zich traag Zijn warme blik ontsloot.
Het was ontsteltenis waardoor zij allen zwegen
tot verontwaardigd Simon Petrus opsprong, rood,
en Hem, als niet Johannes daar nog had gelegen,
ruw aangegrepen had... terwijl Hij, haast verlegen
en vragend, Judas aankeek - hem die taak aanbood.

Een eindeloos moment deed de ander angstig rillen.
Toen voer in hem een kracht, tevoren niet gekend -
een kracht waarmee hij bergen op zou kunnen tillen,
de zon kon laten stilstaan aan het firmament...
En hij stond op en ging. Mijn handelen is Gods willen,
wist hij. Ik doe geen kwaad. Hij is het Die mij zendt.'