DRIE OUDVADERS

1. Adam
Als hij hen ziet vullen zij met z’n achten,
van Seth tot Lamech, Adams hart met trots -
de vaders van de wereldse geslachten,
evenzovele evenbeelden Gods.

Hij denkt wel eens terug aan vroeger tijden
en dan herinnert hij zich weer met schroom
hoe hem de slang heeft weten te verleiden,
zich te vergrijpen aan de vijgeboom.

Sindsdien weet hij dat toename van kennis
kan leiden tot vermeerdering van smart.
Gelukkig heeft hij niet met nog zo’n schennis
zijn Schepper tot het uiterste getart:

het nageslacht dat hem nu is gegeven
staat, welbeschouwd, gelijk aan eeuwig leven.

---

2. Methusalem
Al vierde hij het dan ook liever niet,
ze zongen toch die morgen vol bezieling
een zelf gecomponeerd verjaardagslied -
zoon Lamech, kleinzoon Noach en diens drieling.

Want overgrootvader Methusalem
werd die dag negenhonderddrieënzestig.
‘Ik ben (sprak hij met een gebroken stem)
niet blij met het record dat ik hier vestig.

Na zes van zeven voorzaten - wie kan
ik in de toekomst nog ten grave dragen?’
Het jaar daarop stierf Lamech en de man
mocht zich om dit verlies vijf jaar beklagen.

Toen heeft zich God erbarmd over zijn ziel,
waarna er veertig dagen regen viel.

---