Albert Samain, LA COUPE
 
 
Au temps des Immortels, fils de la vie en fête,
Où la Lyre élevait les assises des tours,
Un artisan sacré modela mes contours
Sur le sein d'une vierge, entre ses soeurs parfaite,

Des siècles je régnai, splendide et satisfaite,
Et les yeux m'adoraient... Quand, vers la fin des jours,
De mes félicités le sort rompit le cours,
Et je fus emportée au vent de la défaite.

Vieille à présent, je vis; mais, fixe en mon destin,
Je vis, toujours debout sur un socle hautain,
Dans l'empyrée, où l'Art divin me transfigure.

Je suis la Coupe d'or, fille du temps païen ;
Et depuis deux mille ans je garde, à jamais pure,
L'incorruptible orgueil de ne servir à rien.

---

DE BEKER
Voor Anneke

Toen goden vrolijke Onsterfelijken waren
en toen de Lier de hoeksteen stuurde met haar spel
dienden de borsten van een maagd tot mijn model -
haar schoonheid kon geen van haar zusters evenaren.

Mijn grote luister duurde honderden van jaren,
elk oog vereerde mij... Het einde evenwel
van al die gelukzaligheid voltrok zich snel:
ik zou de valwind van de nederlaag ervaren.

Ik leef en ben nu oud, mijn lot staat verder vast,
hoog op een sokkel en voorgoed onaangetast
ben ik door Kunst nu tot iets goddelijks verheven.

Ik ben de gouden Beker, heidens van geslacht.
En sedert twintig eeuwen altijd rein gebleven
besef ik trots dat niets van mij meer wordt verwacht.

---